Zwarte vlekken kunnen tijdens de
bewaring van peen behoorlijk toeslaan.
Er is maar weinig voorhanden om dit
tegen te gaan. Onderzocht is of
biofumigatie een oplossing biedt.
Zwarte vlekken op peen leiden tot een ernstige vermindering van kwaliteit en soms tot afkeuring. De schimmels die dit veroorzaken, bevinden zich in de grond en kunnen zich nestelen in de opperhuid van de peen. Bij de oogst gaan deze schimmels met de aan de peen hangende grond mee de bewaarcel in, waarna na verloop van tijd de zwarte vlekken tot uiting komen. Biofumigatie is een methode om bodemschimmels te doden. Bij deze methode worden gewassen of gewasresten in de grond gewerkt, waarbij gasvormige stoffen ontstaan die dodelijk zijn voor onder andere bodemschimmels.
Terraprotect is een zaadmengsel dat speciaal is ontwikkeld voor gebruik bij biofumigatie. Het mengsel bevat vooral zaad van diverse soorten kool. Doel van het oriënterende onderzoek was nagaan of Terraprotect onderwerken beter werkte tegen zwarte vlekken in peen dan een groenbemester onderwerken of grond braak laten liggen.
Op tien praktijkpercelen
Voor het door PPO-agv uit te voeren onderzoek selecteerde coöperatie Agrifirm tien praktijkpercelen met grove peen, die een geschiedenis hadden met zwarte vlekken. In augustus 2007 werd op deze percelen een strook ingezaaid met Terraprotect. Als referentie diende een strook groenbemester of braak liggend land, afhankelijk van het teeltplan van de telers die meewerkten. Terraprotect werd acht weken na de zaai in volle bloei verhakseld en ondergewerkt. De grond werd aangerold om de biofumigatie op gang te brengen.
In 2008 werd grove peen geteeld op de stroken. Bij de oogst werden monsters van deze peen genomen. Met behulp van een biotoets werd een indicatie verkregen van de potentiële aantasting door zwarte vlekken die zich tijdens de bewaring zou kunnen ontwikkelen.
(Nog) niet bewezen
Door de opzet van het onderzoek was het niet mogelijk gedetailleerde proeven met intensieve begeleiding en herhalingen uit te voeren. De resultaten van het onderzoek gelden dan ook als een indicatie. Betrouwbare uitspraken zijn op basis van het uitgevoerde onderzoek niet mogelijk.
Het percentage zwarte vlekken dat optrad in de biotoets was matig tot zwaar: 25 tot 50 procent van de peen kreeg zwarte vlekken. Er werden geen duidelijke verschillen aangetoond tussen peen die was geteeld op een strook met Terraprotect of op een strook met groenbemester of een strook braak liggende grond.
Aantal oorzaken
Dat geen verschillen optraden tussen de drie proefstroken kan een aantal oorzaken hebben.
De ziektedruk was relatief zwaar in 2008, waardoor een mogelijk gedeeltelijke werking van Terraprotect niet is opgemerkt. Wellicht was een eenmalig gebruik ook niet voldoende en moet Terraprotect meer jaren achtereen worden gebruikt om onder de hoge ziektedruk - zoals tijdens het onderzoek - effect te hebben. Ook kunnen het tijdstip en de manier waarop het zaadmengsel is ingewerkt wellicht niet optimaal zijn geweest om te komen tot de hoogste concentratie stoffen in de bodem.
De betreffende peen werd niet bemonsterd uit proeven met meer herhalingen. Daarom kunnen lokale verschillen tussen de bedrijven de resultaten versluieren. Tenslotte gaat de claim dat Terraprotect via biofumigatie werkt tegen bodemschimmels wellicht niet helemaal op voor schimmels die zwarte vlekken in peen veroorzaken.
Om met zekerheid te kunnen zeggen of Terraprotect effectief is tegen zwarte vlekken in peen, is vervolgonderzoek nodig op risicopercelen waar de diverse behandelingen in herhalingen worden aangelegd.
Biofumigatie oplossing?
De vraag of met biofumigatie iets te doen valt tegen zwarte vlekken in peen is na het onderzoek bij de tien telers nog niet duidelijk te beantwoorden. In dit oriënterende onderzoek werd alleen het zaadmengsel Terra-protect gebruikt. Wellicht zijn er nog andere planten of mengsels die in peen kunnen worden getest.
De vraag is ook of de teeltduur van het biofumigatiegewas lang genoeg was om voldoende glucosinolaten te kunnen vormen. Ook de manier van inwerken kan het eindresultaat beïnvloeden.
Vooralsnog is dus nog geen duidelijk effect gevonden van biofumigatie op zwarte vlekken in peen. De methode heeft wel veel potentie om bodemgebonden problemen aan te pakken, maar het zal afhangen van de toepassing, met alle factoren die daarop van invloed zijn, of deze potentie ook is waar te maken.lll
Door Huub Schepers en Rinske Meier
Praktijkonderzoek Plant&Omgeving
De praktijk verwart biofumigatie nog wel eens met (zuurstofloze) biologische grondontsmetting. Dit is echter een volledig andere techniek, waarbij een grote hoeveelheid vers organisch materiaal, bijvoorbeeld gras, in de grond wordt gewerkt, waarna de grond wordt afgedicht met plastic. De aard van het organisch materiaal is daarbij minder belangrijk. De afbraak van de grote hoeveelheid vers organisch materiaal onttrekt zuurstof aan de bodem. Het zuurstofgebrek dat daardoor in de bodem ontstaat en de afbraakproducten die bij de vertering van het materiaal vrijkomen, hebben een dodende werking op bodemschimmels, een groot aantal aaltjessoorten en een aantal wortelonkruiden.
Bij biofumigatie worden vooral kruisbloemigen gebruikt. Veel kruisbloemigen bevatten van nature vrij hoge gehalten aan glucosinolaten ofwel zwavelhoudende verbindingen. Deze verbindingen spelen waarschijnlijk een rol bij de afweer van een plant tegen onder andere insecten. Glucosinolaten liggen opgeslagen in plantencellen en zijn in deze vorm niet giftig. Als de gewassen worden gehakseld en de plantencellen kapot gaan, komen de glucosinolaten vrij. Ze worden vervolgens door een enzym omgezet in isothiocyanaten, gasvormige stoffen (verwant aan de werkzame stof van het grondontsmettingsmiddel Monam) die wel giftig zijn voor diverse insecten, bodemschimmels en aaltjes.
De effectiviteit van het biofumigatiegewas is onder andere afhankelijk van de concentratie aan giftige stoffen die, na het inwerken, in de bodem ontstaat en de tijd dat deze gasvormige verbindingen in de bodem aanwezig blijven. De dodende werking neemt toe naarmate de concentratie hoger is en de periode langer. Bij de meeste kruisbloemigen is het gehalte aan glucosinolaten in het gewas het hoogst tijdens de bloeifase, zo’n 6 tot 8 weken nadat is gezaaid. Het biofumigatiegewas moet op dat moment goed worden verhakseld en vervolgens snel ingewerkt. Door het gewas zeer fijn te verhakselen kan een snelle omzetting plaatsvinden, waardoor in korte tijd een hoge concentratie aan giftige gassen in de bodem kan ontstaan. Om ontsnapping van het gas uit de bodem zoveel mogelijk te beperken, is het nodig de grond dicht te rollen en zo mogelijk te beregenen.
Ook bodemtemperatuur, vochtgehalte en grondsoort hebben grote invloed op de effectiviteit van biofumigatie. Vooral een voldoende hoge bodemtemperatuur lijkt belangrijk voor het snel en in voldoende mate vrijkomen van de giftige verbindingen. Dit betekent dat het gewas in de zomer moet worden geteeld, waarna het aan het eind van de zomer, als de bodemtemperaturen nog voldoende hoog zijn, wordt ingewerkt.
Auteur(s): Huub Schepers, Rinske Meier
Bron: Groenten en Fruit , jaargang 63 , nummer 50 , datum 8-12-2009
Ads door Gooooooogle